Een wachttijd bij een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) is de periode na uitval waarin nog geen uitkering wordt ontvangen. Die periode overbrug je met spaargeld of een andere buffer. Hoe langer de wachttijd, hoe lager de premie. Voor veel zelfstandigen is een wachttijd van drie maanden een goede balans tussen betaalbaarheid en financiële zekerheid. Voor het overgangsrecht van de Wet BAZ mag de wachttijd maximaal twee jaar bedragen.
Wat is de wachttijd bij een AOV?
De wachttijd, ook bekend als eigenrisicoperiode of karenstijd, is de periode tussen het moment waarop je arbeidsongeschikt raakt en het moment waarop de verzekeraar begint met uitkeren. Word je bijvoorbeeld op 1 april ziek en heb je een wachttijd van drie maanden, dan start de uitkering pas op 1 juli. Ben je eerder hersteld, dan volgt geen uitkering. Een AOV is namelijk bedoeld voor langdurige arbeidsongeschiktheid.
De gekozen wachttijd heeft geen invloed op de hoogte van de uitkering. Alleen het moment waarop de uitkering begint, verandert. Een langere wachttijd betekent dat je meer risico zelf draagt, maar ook minder premie betaalt.
Welke wachttijden zijn mogelijk?
De meeste verzekeraars bieden meerdere opties aan. Niet iedere verzekeraar heeft alle mogelijkheden beschikbaar en sommige keuzes hangen samen met de beroepsklasse. Veel voorkomende wachttijden zijn:
- 14 dagen, 1 maand, 2 maanden, 3 maanden, 6 maanden, 12 maanden en 24 maanden.
- Kortere wachttijden geven een hogere premie, terwijl langere wachttijden juist leiden tot lagere maandlasten.
Een wachttijd van drie maanden is in de praktijk het meest gekozen. Voor veel ondernemers vormt deze keuze een evenwicht tussen betaalbaarheid en een haalbare financiële buffer.
Wat doet de wachttijd met de premie?
Na leeftijd is de wachttijd één van de belangrijkste factoren die invloed hebben op de premie. Het verschil tussen één maand en zes maanden wachttijd kan oplopen tot 40 à 50 procent premieverschil.
Een ondernemer van 38 jaar die €2.500 per maand wil verzekeren, betaalt bij een korte wachttijd doorgaans meer dan bij een langere wachttijd. Over tientallen jaren kan dat verschil oplopen tot duizenden euro’s.
Daarom is niet alleen de premie belangrijk. De vraag is vooral of er voldoende spaargeld beschikbaar is om de gekozen wachttijd te overbruggen.
Hoeveel buffer heb je nodig per wachttijd?
Een praktische vuistregel is dat de benodigde reserve gelijk is aan de maandelijkse netto-uitgaven vermenigvuldigd met het aantal maanden wachttijd. Bij maandlasten van €2.500 en een wachttijd van drie maanden is minimaal €7.500 nodig. In de praktijk is een ruimere reserve vaak verstandiger, omdat vaste lasten en onverwachte uitgaven tijdens ziekte gewoon doorlopen.
Veel zelfstandigen combineren een broodfonds met een AOV. Daardoor kunnen de eerste maanden worden opgevangen, terwijl een langere wachttijd voor een lagere premie zorgt.
Welke wachttijd past bij jouw situatie?
De juiste keuze hangt vooral af van de beschikbare buffer en eventuele andere inkomsten.
- Minder dan enkele maanden reserve: een wachttijd van één maand biedt de meeste zekerheid.
- Drie tot zes maanden spaargeld: drie maanden wachttijd is voor veel zzp’ers een logische keuze.
Wie een ruime buffer heeft, een partner met inkomen of deelneemt aan een broodfonds, kan ook kiezen voor zes of twaalf maanden. Daarmee blijft de dekking voor langdurige arbeidsongeschiktheid bestaan, terwijl de premie lager uitvalt. Bij een medisch verleden kan de wachttijd bovendien invloed hebben op de acceptatie door de verzekeraar. In zulke situaties is onafhankelijk advies vaak verstandig.
Waar moet je op letten bij de Wet BAZ?
Voor het overgangsrecht van de toekomstige verplichte BAZ geldt dat een private AOV een maximale wachttijd van twee jaar mag hebben. De publieke BAZ-regeling kent zelf een wachttijd van 104 weken. Daardoor ontstaat juist bij kortere ziekteperiodes een verschil tussen een publieke regeling en een particuliere verzekering. Een AOV met een wachttijd van drie maanden kan bescherming bieden bij situaties waarin een herstelperiode enkele maanden tot ongeveer een jaar duurt.
FAQ
Kan ik de wachttijd later aanpassen?
Bij veel verzekeraars is dat mogelijk. Een kortere wachttijd kan wel leiden tot een nieuwe medische beoordeling of een hogere premie. Een langere wachttijd aanpassen verloopt meestal eenvoudiger.
Geldt de wachttijd per ziekteperiode?
Ja. De wachttijd begint op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid. Bij een nieuwe uitval hangt het van de polisvoorwaarden af of de wachttijd opnieuw ingaat.
Wat is het verschil tussen wachttijd en uitkeringsduur?
De wachttijd bepaalt wanneer de uitkering start. De uitkeringsduur bepaalt hoe lang de verzekeraar daarna uitkeert. Beide keuzes hebben invloed op de premie.
Is een kortere wachttijd altijd beter?
Nee. Een korte wachttijd biedt meer zekerheid, maar zorgt ook voor hogere premies. De beste keuze hangt af van de financiële buffer die beschikbaar is.
Conclusie: kies een wachttijd die past bij je buffer
De wachttijd is één van de belangrijkste keuzes binnen een AOV. Een te korte wachttijd kan jarenlang onnodig hoge premies veroorzaken. Een te lange wachttijd zonder voldoende reserve vergroot juist het financiële risico.
Voor veel zelfstandigen vormt een wachttijd van drie maanden een goed uitgangspunt. Wie meer spaargeld of aanvullende voorzieningen heeft, kan kiezen voor zes of twaalf maanden en profiteren van een lagere premie.
